
Zes maanden geleden
stapte je
de laatste keer
uit jouw slapeloze bed
Vandaag alles met
lavendel op 60
Eerst dapper, maar
waar vind ik je geur nu nog?

Zes maanden geleden
stapte je
de laatste keer
uit jouw slapeloze bed
Vandaag alles met
lavendel op 60
Eerst dapper, maar
waar vind ik je geur nu nog?

Één seconde wakker en jij bent er. Ik bedoel, de gedachte; jij bent dood, is er. Diep zuchten, luisteren naar de stilte boven onze slaapkamer, dieper zuchten, kracht zoeken en opstaan. Slaapkamer open, naakt naar de badkamer, want dat kan nu. De spiegel laat een bleek gezicht zien. Holle ogen. Niet zoals jouw selfies die je in dezelfde spiegel maakte. Breed grijzend of melancholisch. Sportkleding aan, naar beneden. Computer opstarten, video zoeken en beginnen aan mijn dagelijkse half uurtje oefeningen. Voornemen hierna wel te ontbijten en iets nuttigs te doen. Twee uur en stomme filmpjes over mammoeten in perma frost later, stram opstaan van de stoel en de trap opstrompelen. Weer die spiegel. Gelukt, iets minder witjes. Wassen, aankleden, naar de trap. Weifelend. Nu al huilen of straks pas? Nu betekent naar jouw kamers. Straks betekent nog meer fossielen kijken en uitstel van. Wat ik ook kies, jij bent er. Je zit in de pot Speculoos, in de mandarijntjes, in Shadow, in jouw plaats aan tafel, in jouw vorkje, in de handbel, in de error op de pc, in de kattensnoepjes, in jouw beker, in de vega melk. De fiets die jij gebruikte maakt mij misselijk. Altijd was ik bang voor een ongeluk. Ironie. De wasmachine wast alleen nog onze kleding. Zonnebloempitjes eet ik nu in mijn eentje. Soms lach ik om jou. Grappige herinneringen. Ze troosten nog niet, ze kerven verder in mijn kapotte hart. E. speelt een trieste melodie op zijn gitaar, jouw afwezigheid schrijft de tekst. Ik huil. Zo vaak. Zo veel. Zo intens. Equivalent voor de grootte van mijn liefde voor jou. Als het lukt stof ik, of poets de badkamer. Als het niet lukt zit ik, wezenloos, bewegingsloos. Wandel naar de bieb waar mijn boek staat. Nadat jij jouw definitieve keuze maakte hoorde ik van een studiegenoot dat jij zo trots op mij was. Mijn ogen branden. Wandel terug door het plantsoen, langs het bankje waar jij wel eens op zat en probeerde jouw leven vast te houden terwijl het licht in jouw tunnel gedoofd was. Ik kook, denk; wat fijn, we eten vis en jij komt niet klagen dat het stinkt. Waarom werd ik altijd boos als je dat deed, ik zou willen dat je nu naar beneden komt en klaagt, toe maar, inclusief dat demonstratieve vertoon van jouw trui over je neus trekken. Ik zal je vast pakken en lachend knuffelen. Na het eten neem ik jouw taak waar, het inruimen van de vaatwasser. We drinken een kop thee, kijken wat op Netflix of lezen een boekje. Dan lichten uit, trap op, rituelen in de badkamer. Als ik naar onze slaapkamer ga, kijk ik nog vlug naar boven en geef een kushandje. Belachelijk, ik weet het. Lach er maar om. Luid genoeg. Misschien hoor ik het. Mijn laatste gedachten gaan over jou. Zoals gisteren en morgen. Want alles is bedekt met een laagje jou.

Braamtakken woekeren
aan jouw voeten
lentegroen en zwart
de compositie is
perfect
alsof je erbij hebt
stilgestaan
dat ik jou
wilde zien
in de schemering
van jouw laatste seconden
zodat ik kan
helen
leven
weer WIL leven

Weet je nog
die keer
die wachtkamer
waar stille tranen
langs jouw wangen
op de grond vielen
terwijl die jongen onthutst naar je keek
klauwde de duisternis
al naar jouw ziel
weet je nog
die keer
dat ik je voor het laatst heb getroost
jouw haren streelde
jou vertelde het komt goed
terwijl jouw schouders schokten
haakte het duister
zich vast aan jouw ziel
weet je nog
die keer
dat ik mij liet gaan
liet zien hoe verscheurd
alleen de gedachte al
terwijl jij mij onhandig vasthield
en ik snikte op
het ritme van jouw hart
won de duisternis het
van mijn onmachtig moederhart
weet je nog
toen ik nog elke dag
onbevangen lachte
en zong
de trap op rende
iets grappigs vertelde
terwijl jij naar mij luisterde
voelde ik mij verlicht
geliefd en compleet
niet duister
aan flarden
verloren