Auteur: Eva Knebel



Toen ik het kippenhok opende
en de dames goedemorgen wenste
kwamen ze niet elkaar verdringend naar buiten
zoals altijd om haantje de voorste te zijn
zelfs hennen doen dat
vandaag niet
hun wereld was ondergesneeuwd
onder hun rode kammen dwarrelde vraagtekens naar beneden

tussen de sneeuwvlokken
elkaar murmelend en afwisselend voor het treeplankje duwend
besloot een van hen, haha en niet hun
toch de stap te wagen en gleed naar beneden
de rest volgde gelaten
pikkend proefden ze van de sneeuw
zagen hun voeremmer en vergaten hun oude wereld
och, had de mens ook een kippenbrein

zodat hij gisteren kon afschrijven
alsof zulks nooit bestaan had



Jij en ik wisten niet
dat ik je achtervolgde
door de storm en hevige regen
je voeten draalden geen tel
tromgeroffel en trompetgeschal
in mijn hoofd
jij baande je een weg naar jouw dansvloer
waar je alles had klaargezet
dit werd de belangrijkste voorstelling
op jouw muziek vloog je weg
in jouw unieke vorm
en terwijl ik je lichaam vasthield
voelde ik onze zielen samensmelten
dans, mijn kleurrijke paradijsvogel
je was niet alleen
je bent nooit alleen geweest
en mijn god, wat ben je prachtig



Wat zou ik doen
als jij mij zou bellen
zou ik opnemen
of niet durven
uit angst dat het verkeerd verbonden is
zou ik je stem herkennen
zou ik stil zijn en luisteren
naar jouw verhalen
zou ik vragen of je gelukkig bent
zou ik willen weten of je spijt hebt
en nog hier bij ons wilt zijn
zou ik zeggen dat ik je mis
zou ik huilen en stamelen
hoeveel ik van je hou
ik weet het niet
dus kom, proberen we het
de telefoon ligt naast mij
je weet vast mijn nummer nog
tot zo




Aan het einde
fantaseer ik jou
je staat er niet
een stervende vlinder
in het zand
is wat ik vind
vier kilometer
rust ze in mijn handpalm
tot thuis
niemand zou eenzaam
moeten sterven in een bos