Heen en weer gaat mijn hoofd links rechts links mijn ogen dwalen over akkers bermen en de horizon meditatie, dat is het terwijl ik zwerfafval in de zak prop dan ineens hoor ik het geluid van een gans één moment zoek ik in de lucht tevergeefs tot ik haar zie de dame die haar neus snuit ze had mij beet
Het blijkt eigenlijk kinderlijk eenvoudig (vloekwoord naar keuze) ik kan jouw keuze aanvaarden maar niet jouw nooit meer in dit leven die wreedaard die op de loer ligt weet ik vaak te ontwijken om uiteindelijk een keer uitgeput te zijn, dat is zijn kans en hij neemt hem, uiteraard krijsende uithalen van verdriet en pijn zijn tenslotte het voedsel waar hij op teert
Hij trekt en hij snijdt, met woeste halen zwiep ik hem weg tot hij opgeeft met fluisterende woorden en grijnzend wegkruipt: “tot de volgende keer” ik snerp hem na dat hij op moet rotten, val kapot, ik wil je niet meer hoor je mij, je bent een monster, een gedrocht uit de spelonken je hoort in de duisternis thuis, niet bij mij in het licht
Mijn ogen sluiten zich, ik zie rode pulsaties en langzaam zak ik weg in de vergetelheid waar ik weet dat mijn ziel zich verweeft met die van jou jij zegt zacht dat je mijn verdriet begrijpt, mijn tomeloze boosheid en twijfel mama, je mist mij, dat heet liefde, en ik heb jou ook lief, al ontelbare eeuwen lang we zullen nooit lang zonder elkaar zijn, denk aan mij vanuit die liefde
Nodig hem uit mama, voor een diner dansant, voer hem hapjes van verdriet en woede geef hem absint gemaakt van jouw zoute tranen, tot hij dronken is van genot en dans met hem, pirouettes en tango’s, walsen tot je duizelig bent mama, dansen met het monster is de lijm die jouw hart heelt en je toestaat het corsage van veldbloemen te ruiken dat hij voor je mee nam, hij weet wat je mooi vindt
Ik zal hem vragen mijn kind, mij kleden in mijn mooiste jurk, schoenen met hakken mijn haren opsteken zodat de lok van inkt te zien is achter mijn linkeroor en berusten in de cadans, swingen tot ik erbij neerval, berusting nabij wanneer hij tenslotte volgevreten en afgebrand zich uit de voeten maakt zal ik licht zijn het licht, voor mijzelf, voor jou, zelfs voor hem, die danser uit de krochten
Terwijl ik tussen akkers vol tarwe fiets kijk ik opzij op ooghoogte vliegt een bij met dezelfde snelheid als ik of dan ik dat was altijd een discussie waard tussen jou en mij ik denk dat als goed is dan is fout
En als het waar is dat jij even
in die bij zat want dat voelde ik diep van binnen dan heb je mij zien lachen en horen roepen: wedstrijdje? het blijkt dat jij, de bij sneller bent dan ik
Terwijl ik verder fiets gaan mijn gedachten op en neer net als de pedalen je was er ik mis je je was er ik mis je je was er ik mis je de liefde is net zo groot als het gemis dat ik voel
Een foto: dochter, kleinzoon en sterren-flitser oogjes fonkelend van pret en bewondering verdrietig gemis bij haar tegelijkertijd genieten om het plezier van de kleine man mijn borstkas knijpt samen
En op de achtergrond een fotolijstje, de roofvogel op jouw arm, muts, dikke jas, ingevallen wangen ik hoor je lachen, ergens in mij, de holte in mijn hart zuigt zich vacuüm en jij trekt een gouden lijn tussen broer en zus
We willen dat hij weet wie zijn oom is dit doen we vaker staat geschreven in het berichtje
Terwijl mijn oeverloos verdriet zich hortend een weg baant tussen ribben en strottenhoofd voel ik dat ik weer iets minder kapot ben